Stilte

November. Weekenddienst. Buiten slaat de regen tegen de ruiten. De kleine ziekenhuiskamer is tot de nok toe gevuld met familieleden. Er hangt een ongewoon gespannen sfeer.

De man ligt in het midden van de kamer. Zijn vrouw is er. Een dochter zit aan het voeteneind, naast haar man. Eén stoel, pontificaal voor het bed geplaatst, is leeg. "Die is voor mijn zoon," bepaalde zijn vader plechtig. Hij vervolgde zonder enkel verzoek. Een stomme ruzie zoveel jaren geleden over een liefde. De koppigheid van alle betrokkenen. Van hem. Van zijn zoon. Over afstand. Foute keuzes, foute conversaties. De grilligheid van het leven. Over spijt. "Hij is gebeld," sprak zijn dochter tussen zijn overwegingen door. "Maar hij wil niet komen". Daarna was de man stilgevallen.

De man met een minimaal versnelde ademhaling. Bleke, spitse neus. Grauwe gelaatskleur. De catheterzak vrijwel leeg, een paar druppels donkere urine. Voor een zorgverlener die dit vaker meemaakt een herkenbaar klinisch beeld. Hier wordt gestorven.

Zijn ogen blijven open, maar zijn leeg, ze staren naar boven. 'Hij ligt er rustig bij', concludeer ik, terwijl ik de ogen van zijn echtgenote zoek. Ze kijken me aan. Ik ontmoet wanhoop. 

De laatste dagen hadden we vaak over die allesoverheersende vermoeidheid gesproken. De afwezigheid van medicijnen om daar echt iets aan te doen. De machteloosheid die zij voelden. Die ik voelde. "Mijn zoon," had hij gezegd, toen ik hem vroeg of ik nog iets voor hem kon doen.

Aan het eind van deze zondagmiddag wint de benauwdheid het van zijn vermoeidheid en we besluiten de morfine op te hogen. "Het einde is zicht," zeg ik zacht. "Eindelijk," fluistert zijn vrouw.

Als ik de kamer vol verdriet verlaat en de afdeling oploop, zie ik een man aankomen. Medio vijftig schat ik. Als ik hem passeer, zie ik precies dezelfde ogen als net. Ik zie hem de kamer binnen gaan en slaak een zucht van verlichting. Het is telkens zo triest te bemerken dat het sterfbed de eye-opener is die jaren eerder had moeten komen. Hoe verbluffend vaak een dergelijk bed het centrum van hereniging wordt. Of het nou te laat is of net op tijd, het is niet relevant. Niet meer.

Als ik nog even langsloop, zie ik dat de handen van de zoon letterlijk en figuurlijk geborgen zijn in die van zijn stervende vader. Te laat voor uitgebreide gesprekken, maar dat is helemaal niet nodig. Het is op tijd voor de nabijheid die zij beiden zochten.

Dan is het opnieuw stil in de kamer. Van de gespannen sfeer is geen sprake meer.