Weekend

Zaterdagochtend, tien uur. Ik kijk naar de klok.

"Ik wil naar huis. Nu. Nu meteen."

"Dat kan echt niet", zeg ik.

"Ik wil het. Echt. Nu. Ik wil thuis doodgaan."

De man van ergens-in-de-zeventig heeft een bolle buik. "Een ileus", staat in de status geschreven. Hij kijkt me huilend aan. Wanhopig. Misschien zijn we veel te laat. Had dit gesprek eerder moeten plaatsvinden, maar pas vandaag blijkt dat de langzaam achteruit hollende realiteit van de laatste dagen nu grote stappen neemt. Pas vandaag blijkt dat er echt geen redden meer aan is. Hij is naast de maaghevel gaan braken, terwijl hij al dagen niet meer at. Daardoor is hij benauwd geworden. "Een longontsteking door braaksel", beslis ik als ik naar zijn longen luister en het geraas zijn in rechter onderkwab hoor. Ik vertel eerlijk dat zijn einde met veel rassere schreden nadert dan wij dachten. "Antibiotica heeft geen zin meer", zeg ik. "Het zou alleen maar het lijden verlengen. Niet het leven."

Het ontslaan van stervende patiënten in het weekend is een van de zaken die ik in mijn carrière heb afgeleerd. Ik heb het echt zien misgaan. Dat de zorg niet helemaal goed geregeld was. Dat er toch uiteindelijk medicatie niet was. Dat er toch meer lijden was geweest dan noodzakelijk. En dat zit echt in mijn uiterste allergie. Onnodig lijden in de waanzin die er al is.

Thuis doodgaan kost voorbereiding: het gaat niet alleen om een hooglaag-bed in de benedenkamer, het oproepen van een betrokken thuiszorgteam, dokters die volledig ingelicht zijn. Die langskomen. Ook als het niet moet. Het gaat ook om het regelen van een morfinepomp die op tijd geleverd wordt, de morfinecassettes die noodzakelijk zijn. De beschikbaarheid van medicatie als primperan tegen misselijkheid, pijnstillers, laxeermiddelen. En niet in de laatste plaats om een goede voorbereiding van de familie. Het is niet niets als je huis in een keer een sterfplek wordt. Laat me duidelijk zijn: ik juich thuis sterven geweldig toe, maar dat de huiskamer van het ene op andere moment wordt omgetoverd in een plaats waar gestorven gaat worden, kan heftig zijn als je er niet helemaal op voorbereid bent.

De jonge verpleegkundige kijkt me fel aan. "Ik ga het regelen, punt," zegt ze. Ik schrik een beetje van haar stellingname. Maar ze houdt woord. En gaat het gewoon regelen. Ik zie in haar ogen een soort fanatisme dat ik vaker zie in de palliatieve zorg. Het fanatisme waar ik zo van houd. Weg van bureaucratie en regels. Buiten de lijnen. Terug naar de essentie. Het is precies het fanatisme waarmee je dingen gewoon voor elkaar krijgt.

Ze belt met een thuiszorgorganisatie. Overlegt met de familie. Als ik met een andere verpleegkundige visite loop, zie ik haar op en neer rennen. Ik zie een lach op haar gezicht en ze steekt een duim omhoog. Na een half uur tref ik haar in de verpleegpost met een hoorn tegen haar oor. "Het is gelukt," zegt ze, terwijl ze een aantal notities maakt in de computer. "Het is gelukt".

Het werkt aanstekelijk. Ik bel de apotheker, regel de cassettes en pomp. Ik maak haast om de ontslagbrief in orde te maken en ren op mijn beurt naar de huisartsenpost in ons ziekenhuis. Daar licht ik de huisarts van dienst in, die blij is met deze overdracht. "We rijden vanmiddag wel even langs," glimlacht ze.

Dan bellen we samen de ambulancedienst voor het noodzakelijk vervoer naar huis. "Eigenlijk behoren dit soort niet-spoedritten niet tot onze taak in het weekend, zegt de telefoniste." "Maar dikke boeie", vervolgt ze zonder twijfel in haar stem, "We komen eraan".

Wow. Zo ken ik de zorg. Dit is wie we moeten zijn. Wie we zijn.

Ieder mens verdient te overlijden waar hij wil. Ook als het weekend is. Niets is onmogelijk voor hen die willen. 




Sander de Hosson is longarts en auteur van de bundel 'Slotcouplet'. Meer informatie: hier